De gemeentegrot niet Romeins maar Romaans?

Door J . Diederen, 1983 SOK mededelingen 3


Of het begin van de mergelwinning in de ondergrondse groeven in Zuid- Limburg stamt uit het begin van onze jaartelling, heeft tot op heden niemand met zekerheid kunnen aantonen. Waarschijnlijk heeft het afwijkende karakter van het oude gedeelte van de Valkenburger groeve (Gemeentegrot) met gangen van 7 à 8 meter hoogte en met een schijnbaar ongecoördineerde ontginningstechniek sterke invloed gehad op het oordeel van sommigen. In de ogen van culturen welke in die tijd voor
het gebruik van bouwsteen in onze regio in aanmerking zouden komen, zoals de Romeinen die uitstekende bouwmeesters waren en gewend waren met marmer en travertijn te bouwen, moet onze zachte mergel misschien toch een inferieure steensoort zijn geweest welke waarschijnlijk voor hen wel geschikt was om er land mee te bemesten. Bekend is wel dat de Romeinen naast bondzandsteen, Naamse steen en misschien Kunrader steen veelvuldig gebruik maakten van de hardere Jura-kalken die zij haalden uit de dagbouwgroeven in Frankrijk en Duitsland. Dat vooral deze Jura-kalksteen op het eerste gezicht zeer mergelachtig aandoet, heeft sommigen in hun overtuiging gesterkt dat de Romeinen hier mergel als bouwsteen ontgonnen en gebruikt zouden hebben. Over het gebruik van onze mergel door de Romeinen zijn de archeologen heden nogal gereserveerd en bevestigen dat niet graag positief. Ooit zijn de berichten van Plinius over het gebruik van mergel door de Romeinen nogal vrij vertaald door vroegere geschiedkundigen. Latere kritische beschouwers
hebben in de verslagen van Plinius ook niets kunnen aantreffen over het gebruik van mergel als bouwsteen.

Vanuit de Plenkert

Door het volgen van de graafrichtingen staat vast dat het oude gedeelte an de Valkenburger groeve is ontgonnen vanuit de Plenkertstraat, en vanaf
de eerste aanzet van deze gangen heeft men een ontginningsmethode toegepast die sterk overeenkomt met technieken die in de middeleeuwse groeven van Grensveld en Maastricht werden toegepast. Vanuit de Plenkert heeft men de groeve in zuidwestelijke richting ontgonnen tot men op een storing terecht kwam. Zo’n storing bestaat uit één of meer vertikale breukvlakken achter elkaar en is vaak verontreinigd met leem en vuursteen en geïnfiltreerd met kristallijne kalk. Later heeft men geleerd door middel van proefgangen door een storing heen te werken, maar toen
heeft men daar om een of ·andere reden van afgezien . De mergelwinning werd in horizontale richting gestaakt en in een dieper nivo voortgezet; men ging er toe over de vloeren uit te diepen . Men kwam toen terecht in een lager gelegen mergellaag, het zg. Mb, die plaatselijk veel vuursteen bevat. Dit had tot gevolg dat de ontginning ernstig gehinderd werd door de aanwezigheid van de talrijke vuursteenknollen. Vaak werd de ontginning op een bepaald punt gestaakt. Men liet de blokken half afgewerkt in de wand zitten en enkele meters verder werden met meer sucses een paar stenen gezaagd. Een bijzonderheid is nog dat de mergelblokken in die tijd op gebruiksklaar formaat uit de wand ontgonnen werden. Nadat hoog in de wand een kleine nis, het “schaap”, gemaakt was, hakte men moeizaam achter in deze ruimte met een klein slagwerktuig een vertikale sleuf naar beneden. Daarna werden met de zaag op een afstand van veertig à vijftig centimeter naast elkaar enkele diepe zaagsneden gemaakt en konden de stenen in de gewenste grootte met een breekwerktuig op het leger los gebroken worden. Gedurende een tijd heeft men de mergelblokken in diagonale richting ontgonnen. Misschien leverde dat minder problemen op met het moeilijke en tijdrovende “schapen”. Later is men hier weer van afgestapt. Mogelijk had deze wijze van ontginning, vooral bij het werken langs de wanden, teveel afval tot gevolg. Hoog aan het plafond hebben de steendelvers met de walm van hun lampje gevarenkruizen getekend als ze onreine mergel, zoals een breuk of een aardpijp, naderden . Ook tekenden ze galgjes tegen de zoldering, waarmee ze misschien hun onvrede kenbaar maakten over hun levensomstandigheden.


Vreemde tekens

Met het plaatsen van geschreven inscripties waren de steendelvers in eerste instantie spaarzaam. Talrijk zijn wel de telramen, soms met steenhouwersmerken , die inzicht geven in dagproduktie, vrachten en aantal personen dat in de groeve werkte. Dat werken in de groeve gebeurde vaak in kleine groepjes: een steendelver met een of twee hulpjes. Onlangs werden op een plaats vreemde tekens op een kluitje bij elkaar gevonden. Volgens sommigen zou het hier een inscriptie uit de eerste of tweede eeuw na Chr. betreffen, of zelfs een inscriptie in rune-schrift; maar daar deze tekens sterk overeenkomen met steenhouwersmerken en familietekens en er sprake is van een soort boekhouding, moeten we aannemen dat het om de mergelproduktie of zelfs mergelleveranties naar elders gaat. Gezien de omvang die het gangenstelsel reeds op dat moment had, stamt een en ander waarschijnlijk uit een tijd waarin er een grote vraag naar mergel was en toepassing van mergel plaats vond. De eerste geschreven inscripties stammen uit het einde van de vijftiende en het begin van de zestiende eeuw. Op een broos stuk pilaar staan een achttal namen ingekerfd met achter iedere naam een aantal streepjes. Waarschijnlijk betreft het ook hier leveranties van een aantal partijen mergel. We lezen: Wranck; Messvá oenssle; Rener diebije; proest; henne gerkerss; habet; d. vá noet;
zeken vá genhoet.
Elders staat her en der verspreid Goart vá
Strabach; henne vá heek; Jonker huyn en Jonker
Geraert; Merkelbeyk yn de aldenhof. De oudste datum die we in de grot aantreffen is 1513. Lange tijd gold 1506 als oudste datum van de
Gemeentegrot, maar later bleek dat aan de 0 nog een poot zad die men handig had opgevuld met leem; dit moet dus 1596 zijn geweest.

Een oud rekeningboek staat nog ingekerfd op een broos stuk pilaar
in een van de oudste gedeelten van de Valkenburgse Gemeentegrot . Het moet qua stijl te oordelen, stammen uit de vijftiende eeuw . De namen verwijzen soms naar plaatsen rondom Valkenburg. De streepjes achter de
namen geven waarschijnlijk het aantal partijen mergel aan die aan de betreffende personen zijn geleverd .
We lezen (vertaald)
Wranck,
Mes van Oensel,
Rener Diebije,
Proost,
Henne Gerkens,
D .. van Nut,
Zeken van Genhout .




Mergelbouw op grotere schaal


In de praktijk blijkt dat men in onze gebieden pas na het jaar 1000 op grote schaal begonnen is met mergel te bouwen. Volgens sommige onderzoekers zouden gebruikte mergelblokken, die in heel oude muurfragmenten van het kasteel van Valkenburg voorkomen, onderling qua struktuur zeer veel van elkaar verschillen en sterk de indruk wekken dat zij dicht aan de oppervlakte ontgonnen zijn; wellicht geschiedde de eerste mergelwinning in de Middeleeuwen dan ook in muurgedeelten van meer homogene amenstelling, van een kwaliteit steen die alleen in diepere mergellagen kan zijn ontgonnen. Nemen wij in acht dat de oudste inscripties in de
groeven, welke met de ontginning zelf te maken hebben, zoals gevarenkruizen, galgen, huismerken en teksten, minstens uit de vijftiende eeuw stammen en dat men rond 1300 begonnen is met gave mergelsteen te bouwen, kan men de oudste aanwijsbare periode waarin men ondergronds mergel heeft gezaagd, zo ruwweg plaatsen tussen 1300 en 1400.      Ik wil hier echter oudere mergelwinningsaktiviteiten, zoals die mogelijk in de Valkenburgse groeven bedreven zouden zijn, niet helemaal bestrijden. Immers de oudste mergelgangen die er geweest moeten zijn, zoals de eerste aanzet tot de Valkenburger groeve in de Plenkertstraat, zijn door dagbouw ten behoeve van kalkbereiding in latere eeuwen verdwenen, zodat over de ouderdom hiervan niets bekend is. Zouden deze gangen nog bestaan, zouden zij waarschijnlijk toch niets verraden over nog oudere mergelwinningsaktiviteiten dan die welke in de Middeleeuwen bedreven zijn. Want waar de ene kultuur ophoudt met de ontginning vindt een latere generatie een gunstig aanzetpunt terug om de steen te kunnen
delven. Reeds bestaande gangen van oudere oorsprong kunnen, ten gevolge van roofbouw en het verbreden, teneinde transport van blokken met paard en wagen uit de inmiddels al veel dieper geworden groeven mogelijk te maken, ons weinig méér vertellen over nog oudere ontginningen. We kunnen wel met zekerheid aannemen, dat het oude gedeelte van de Valkenburgergroeve en ook praktisch het gehele stelsel van de Fluwelengrot zijn ontstaan, toen Valkenburg een vestingstad was, en dat deze gedeelten wellicht ontstaan zijn ten behoeve van de bouw van o.a. kasteel en wallen van Valkenburg.