Artikel uit Natuurhistorisch Maandblad 1955-09
door
W. MINIS-VAN DE GEIJN
(Maastricht)
In het voorjaar van 1877 werd door een blokbreker in een groeve te Berg en Terblijt een schildpad gevonden. Het grote schild was ook
in de ogen van de werkman iets bijzonders en het lag voor de hand dat hij van deze merkwaardige vondst melding maakte aan de geleerde dorpskapelaan, niemand minder dan de latere rijksarchivaris los. Habets.
Ofschoon de paleontologie in het geheel niet tot diens studierichting behoorde pleit het voor de allround belangstelling van de kapelaan, dat
hij na raadpleging van de enige monographie over fossiele schildpadden van Dr Winkler het gevonden skelet als ,,nog niet beschreven” determineerde en al droomde van een •Chelonia
Falcoburgensis “. Hij wilde de spectaculaire vondst voor de
wetenschap veilig stellen en nam daartoe in onderstaand schrijven van 10 Maart zijn toevlucht tot zijn limburgse vriend in Den Haag,
Jhr Victor de Stuers, referendaris van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen van het Departement van Binnenlandse Zaken.
Weledele Heer en Vriend, Voorgisteren werd in onze mergejgroeven eene
ontdekking gedaan van bijzonder gewicht voor de
natuurkundige wetenschap. Een der bergwerkers stiet onder het breken en
zagen der mergelblokken op de overblijfsels van een
monstrueuze dier, dat mij toeschijnt tot het genre der
schildpadden te behoren. De groote schelp die het dekt
meet ongeveer lVi meter en is ongeveer een derde
breed. Het hoofd ontbreekt. In plaats van poten schijnt
het exemplaar voorzien te zijn geweest van zwemvinnen (?) Ongelukkig heeft het exemplaar veel geleden bij het onhandig uitbreken. Het is in meerdere stukken gezaagd, die men eventueel aan elkaar kan passen.
Indien de regeering het gevonden voorwerp, dat aan
eenen armen bergwerker behoort wil koopen voor hare
museen, ben ik bereid haar ter hand te zijn. Maar er dient dan volgens mijne bescheiden mening een zaakkenner hier naar toe gezonden te worden, opdat men geen kat in den zak zal koopen. Het spreekt vanzelf
dat de zaak haast heeft, anders zullen liefhebbers de
vondst opkoopen.
In aller haast en ijl
Uw genegen dienaar en vriend
(w.g.) JOS HABETS
Kapelaan.
Bergh Terblijt
10 Maart ’77.
P.S. I.
Ik vraag verschooning dat ik uwe tusschenkomst
inroep in zaken die niet behooren tot uw departement.
Maar ik weet niet aan wie anders mij te adresseren.
Zorg spoedig want mij dunkt dat de zaak van gewicht kan zijn.
P.S. II.
Ik ben te Maastricht en heb het werk gaan inzien
van Dr Winckler: Les tortues fossiles du Musée
Teyler etc. Celle de Bergh Terblijt n’y est pas; la
forme est toute varié avec celle de la collection
Camper, mais parait avoir la même grandeur. Zou
het niet goed zijn dat de stad Maastricht onze
Chelonia Falcoburgensis aankocht ?
Maastricht 11 Maart ’77
Afschriften van deze brieven werden mij welwillend
ter beschikking gesteld door de heer P. J. van de Velde,
de huidige directeur van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.
Het antwoord uit Den Haag liet enige dagen op zich wachten, omdat een onderhoud met de minister niet meteen kon plaats hebben.
Jhr. de Stuers machtigde daarom eigenhandig de kapelaan om voor 100 of 200 frs het stuk alvast aan te kopen. Helaas juist te laat, zoals Habets in zijn
tweede brief aan Jhr de Stuers moest mededelen.
Bergh Terblijt, 15 Maart 77.
De vondst in de groeven dezer gemeente gedaan en die ik gaarne in een der Rijksmuséen zag opgenomen is reeds,, buiten mijn weet, erschagcherd. De prijs is Fl 100 geweest. Het was een unicum op het gebied der •Cosmogenesologie”. Bij meer zulke voorkomende gevallen zal ik voorzigter wezen en persoonlijk optreden. Ik heb geschreven aan Dr Winkler te Haarlem. De aankoper was C. Ubaghs te Maastricht, ’t Spijt mij.
JOS. HABETS.
Inmiddels ging ook de minister van Binnenlandse Zaken, Heemskerk, tot actie over; hij gaf op 20 Maart opdracht aan de Directeur
van het Museum voor Natuurlijke Historie te Leiden om het bewuste fossiel van Casimir Ubaghs in Maastricht aan te kopen en stelde
een krediet van 300 gulden ter beschikking. Waarschijnlijk nog voordat de reis naar Limburg werd ondernomen kwam er op het museum
te Leiden een tweede ietwat pijnlijke brief van de minister binnen:
MINISTERIE VAN BINNENLANDSCHE ZAKEN.
’s Gravenhage, 24 Maart 1877.
No 72.
Kabinet.
Betreffende aankoop voor het Museum voor Natuurlijke Historie te Leiden.
Mijne missive van 20 Maart 1877, Lett. O, Afdeling VI, noodigde U uit onmiddelijk een deskundige naar Maastricht te zenden, ten einde te beproeven een aldaar berustende fossiele Chelonia aan te koopen; er werd te dier zake een crediet geopend.
Tot mijne bevreemding ontmoet ik in de Nieuwe
Rotterdamsche Courant van 23 Maart j.1. een berigt, waarin het bovenstaande nauwkeurig ver. Op het origineel van deze brief werd ik opmerkzaam gemaakt door Pater Dr Em. Janssen C.s.s.R. te Wittem, bij gelegenheid van de Victor de Stuers tentoonstelling in 1950 in het Bonnefanten Museum te Maastricht. Het was de aanleiding tot het verder uitzoeken van de lotgevallen van de schildpad. meld staat, met bijvoeging, dat de Regeering heeft last gegeven het voorwerp tot eiken prijs te koopen, hetgeen noodzakelijk op de gang dezer zaak
hoogstnadeelig moet terugwerken. Het ongepaste
en schadelijke van de onbescheidenheid welke dat
berigt openbaar maakte behoeft niet te worden betoogd.
Ik heb de eer U te verzoeken met Uwe bekende
scherpzinnigheid ten spoedigste een ernstig en wel
overlegd onderzoek naar de bron van bovenbedoeld
berigt in te stellen. Het ware mij aangenaam te vernemen dat in casu van geenerlei onbescheidenheid van de zijde der ambtenaren van het museum
te denken valt. Ik heb mij zooveel doenlijk vergewist, dat de indiscretie niet aan de bureaux van mijn Departement is te wijten.
Aan De Minister van Den Heer Directeur van Binnenlandsche Zaken.
het Museum voor Natuurlijke Historie te Leiden. Voor den Minister
De Secretaris-Generaal
De Directeur van het Leidse museum had reeds na enige dagen met zijn bekende scherpzinnigheid” het ,,lek” opgespoord en kon met een gerust hart zijn ambtenaren van elke intrige schoonwassen in zijn antwoord aan de minister.
Aan den Minister van Binnenlandsche Zaken.
Missive 24 Maart No 72. Kabinet,
betreffende aankoop voor het Museum voor
Natuurlijke Historie te Leiden. In antwoord op Uw Exc. in margine aangehaald schrijven heb ik de eer mede te deelen, dat ik de
zekerheid heb verkregen, dat de even onhandige als
onbescheidene mededeeling aan de dagbladen betreffende de vondst der fossiele Chelonia, van geen der aan ’s Rijks Museum verbonden ambtenaren kan uitgegaan zijn. Immers werd ik eerst op deze vondst opmerkzaam gemaakt door Uwe Exc. schrijven van 20 Maart
Lett. O. Afd. 6, hetwelk op 21 Maart door mij ontvangen werd, terwijl het geincrimineerde berigt reeds in den Limburger Courier van 21 Maart 1877
gevonden wordt, en dat wel overgenomen uit een nog
vroeger verschenen no. van het Nieuwsblad van H o u t h e m.
Van eerstgemelde Courant gaat een exemplaar hiernevens. De Nieuwe Rotterdamsche Courant van Vrijdag 22 Maart in Uw schrijven aangehaald heeft het herigt blijkbaar uit deze Limburger bladen ontleend,
die zooals reeds de datum bewijst, hunne inlichtingen
van geen mijner ambtenaren kunnen ontvangen hebben.
De Directeur van het Museum voor Natuurlijke Historie,
w.g. H. SCHLEGEL.
Deze brieven ‘werden voor mij uit het archief van
het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie door Dr L. D.
Brongersma opgespoord en welwillend in copie afgestaan.

Carapax:
lengte X 1/10 ‘(Naar Ubaghs 1879 PI. VI 1)
Inzage van de Limburger Courier van 21
Maart 1877 op het Rijksarchief alhier maakte
de ontknoping duidelijk.
Limburger Courier 21 Maart 1877.
Berg en Terblijt.
Verleden week werd door een bergwerker van Vilt,
in de mergelgroeve alhier gevonden een collosale
groote versteende schildpad van circa 1 meter 50
centimeters en ter breedte van ongeveer 80 centimeters.
Dit zeldzame dier, van zwemvinnen voorzien en
derhalve eenig in zijn soort, wekte de grootste belangstelling op van de geologen en oudheidkundigen. De hooge Regering, bij telegram met de zaak in kennis gesteld, had reeds last gegeven, om het interressante
exemplaar tegen eiken prijs voor het Rijksmuseum
aan te koopen, doch de onervaren vinder, had hetzelve
reeds verkocht voor eenen spotprijs ,,100 frs”, terwijl.
indien hij den tijd had genomen om inlichtingen in te
winnen, hij daarbij minstens 1000 gulden zou hebben gewonnen.
Het aangedikte krantenbericht, kennelijk bedoeld om de onnozele blokbreker in zijn hemd te zetten, moet wel van kapelaan Habets afkomstig zijn die zich mediis in rebus door de handige Ubaghs zag voorbijgestreefd. Van enig boos opzet in de pers die Leiden het stuk zou
misgunnen is wel geen sprake. Inmiddels was de Leidse conservator A. A.
W. Hubrecht naar Maastricht afgereisd; zijn bevindingen heeft hij in een rapport d.d. 31 Maart 1877 vastgelegd. Hij beaamde dat de
schildpad tot een nieuwe soort behoort; ook is hij zich in Berg en Terblijt gaan vergewissen dat het fossiel daar kortelings uitgegraven was.
De onderhandelingen met de heer Ubaghs over een aankoop liepen op niets uit; Ubaghs wilde zelf de nieuwe soort eerst beschrijven en
benoemen. Hij verklaarde echter in een schrijven van 29 Maart 1877 dat bij eventuele verkoop Leiden de voorkeur zal hebben tegen een prijs die alsdan door derden voor het fossiel geboden wordt. De beschrijving van de nieuwe schildpadsoort is door Ubaghs gedaan in 1879 in zijn, Description géologique et paléontokv
gique du Sol du Limbourg” pg 249•264, pi.
VI•VII.
In de laatste alinea benoemt hij de nieuwe soort naar Guillaume Suyckerbuyjck, die dit pronkstuk van hem gekocht heeft om het 25
Januari 1879 aan het museum te Brussel te schenken. Thans bevindt het zich nog aldaar in het tegenwoordige Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, met het opschrift:
Glyptochelone Suyckerbuyki (Ubaghs)
Type.
Ontdekt te Valkenburg. Opgesteld in 1885.
Gift van Mr de Suyck.
Of Ubaghs zich aan zijn afspraak gehouden heeft en ook Leiden zijn schildpad heeft aangeboden, was niet te achterhalen; noch in de
archiefstukken van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, noch in die van het Rijksmuseum voor Geologie was hierover iets te vinden.
We kunnen er vanuit gaan dat de schildpad in de Valkenburggergroeve is gevonden. Aangezien op het etiket van de schildpad staat dat hij ontdekt is geworden in Valkenburg. In het artikel staat dat het is gevonden in een groeve in Berg en Terblijt. De Valkenburgergroeve is in 1882 van gebruiksrecht verandert van de gemeente Berg naar Valkenburg. Terwijl de ingang van de groeve tot 1940 van Berg is gebleven. Zie ook het artikel, Gereguleerd groevebezoek in de negentiendeeeuw als begin van structureel groevebeheer;van Valkenburgergroeve naar Gemeentegrot
Bron: Geschiedenis van Valkenburg-Houthem; HJH Schurgers, JGM Notten, LGWN Pluymaekers